|
| REGISTER | | Registernummer | 3.001.826 | | INLEIDING | | |  | | Objectaanduiding | Citroën ID/DS Berline | | Categorie/klasse | Personenwagens | | Soort object | Berline (sedan) | | Type | DS19 | Merk | Citroën Vanaf eind 1919, toen de eerste importeur John Moos aan het werk ging, heeft het merk Citroën een trouwe groep kopers gekend. Tot begin jaren dertig was het marktaandeel redelijk maar stabiel - al viel dat ten tijde van de crisis terug tot rond de 500 per jaar. Maar al snel groeide dit tot 1200 in 1933. De nieuwe 8/10/15-serie was populair bij zowel de particuliere kopers als bij taxi-exploitanten; bedrijven met de naam CITAX, vaak verbonden aan de plaatselijke Citroëndealer, konden er als economisch vervoermiddel gebruik van maken. Kort na de introductie van de Traction 7 en 11 daalde het marktaandeel schrikbarend, de kwaliteit van de nieuweling bleek nog niet te zijn wat men hoopte. Maar inspanningen van de nieuwe Citroëndirectie deden de kwaliteit en dus de populariteit groeien, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog was het jaartotaal van duizend al weer overschreden. Tijdens de oorlog lag de verkoop van nieuwe auto's zo goed als stil, maar de importeur aan het Amsterdamse Stadionplein ontwikkelde lichtgasinstallaties waarmee men kon blijven rijden; in journaalopnames uit deze periode zien we menig Citroën met een groot 'bassin' op het dak rijden, waarin het gas werd opgeslagen. Na de oorlog bleek Citroën een van de weinige Franse merken die snel kon leveren, wat een groot voordeel was toen er meer kopers dan aanbod waren. Doktoren en notarissen kregen een auto toegewezen en al zouden zij misschien nooit spontaan voor een Citroën gekozen hebben, de auto beviel zo goed dat vele van hen na het vrijgeven van de markt toch een Traction bleven rijden. Bij de introductie van de 2cv tijdens de RAI van 1952 werd de Deux-chevaux aan het publiek getoond. Ontworpen voor de Franse boer met de spreekwoordelijke mand eieren op de achterbank, moest de importeur in Nederland op zoek naar een eigen doelgroep. Die bleek aanvankelijk te bestaan uit kunstenaars en architecten; mensen die qua auto weinig om status gaven - maar op die manier toch een statement wisten te maken. Iets dat veranderde tweede helft jaren 50, toen de inmiddels tot Eend gedoopte 2cv grote groepen mensen ging aanspreken; zij waren met de komst van kinderen en welvaart de scooter ontgroeid. Snelle acceleratie en een hoge topsnelheid waren bij de auto niet van belang, zuinigheid en multi-inzetbaarheid wel. In de periode dat de Deux-chevaux in de Nederlandse prijslijsten stond (1952-1987) werden er niet minder dan 256.000 exemplaren van geleverd. Tellen we hier de andere tweecilinder Citroëns bij op (Dyane, Méhari, Ami, ...) dan zien we dat aantal toenemen tot rond de 400.000. De DS heeft met zijn bijzondere techniek met name ingenieurs en andere technici aangesproken, al was het ook een populair model bij VIPs, politici en het koninklijk huis. De prinsen Bernhard en Claus reden er mee, Rallyrijder Maus Gatsonides toonde aan dat de Snoek in snelle haarspeldbochten over een uitstekende wegligging beschikte en Joop den Uyl koos als vader van een wat de Fransen 'une famille nombreuse' noemen voor de ruime ID19 break. De SM kreeg incoonstatus toen Johan Cruyff er mee ging rijden - al werden er in vijf jaar niet meer dan honderd exemplaren nieuw geleverd.
Het blikken werkpaard HY, dat in de jaren 60 voor de Benelux in Amsterdam werd geassembleerd, kreeg naast de goed zichtbare rol van TPW (Technische Patrouillewagen) van de Rijkspolitie de bijnaam 'patatwagen', die verwees naar zijn veelvuldige inzet als mobiele snackkraam. Een bijzonder populaire middenklasser was gedurende de jaren 70 de GS/GSA, die het hydropneumatisch veercomfort onder handbereik van velen bracht. In een kleine vijftien jaar werden er 112.000 van verkocht.
In de eerste 75 jaar van Citroën in Nederland, een periode die van 1919 tot 1994 liep, werden er zo'n 900.000 exemplaren nieuw geleverd. Sluit | Model | ID / Ds De DS werd op 6 oktober 1955 gepresenteerd op de autosalon van Parijs en sloeg in als een bom ("La Bombe Citroën"). De auto had verschillende eigenschappen en toegepaste technieken die tot dan toe nog niet in één auto waren gecombineerd. Op de eerste dag werden 12.000 orders voor de nieuwe auto geplaatst en aan het eind van de week was dit zelfs opgelopen tot 80.000, een aantal dat de fabriek voor grote productieproblemen plaatste. (Een prestatie die pas in 2016 overtroffen werd door de Tesla Model 3.) Pas in de loop van 1956 kon men feitelijk beginnen met afleveren. In de tussentijd waren al heel wat bestellingen geannuleerd.
Eind 1956 kwam een eenvoudiger versie op de markt: de ID19.
De ID/DS werd door Citroën in verschillende model uitvoeringen geleverd: berline (sedan), break (stationwagen), ambulance (ziekentransport), en décapotable (cabriolet).
De ID/DS berline was succesvol in zware internationale rally’s, maar had een lange wielbasis en een relatief zwakke motor, en werd daarom door diverse carrosseriebouwers succesvol ingekort en vaak motorisch opgevoerd.
Daarnaast werden op basis van de ID break door diverse carrosseriebouwers ook seriematig ambulances, lijkauto’s, autoambulances en fourgons (bestelwagens) gebouwd.
Henri Chapron, die voor Citroën de cabriolet ‘usine’ en de berline 'prestige' vervaardigde, bouwde ook diverse coupés, cabriolets en berlines onder eigen naam. De meesten op basis van het speciale rollende chassis van de cabriolet ‘usine’.
Daarnaast hebben tientallen andere carrosseriebedrijven in diverse landen cabriolets en andere speciale modellen op basis van de ID/DS gebouwd.
Deze aanpassingen waren relatief eenvoudig mogelijk door een unieke combinatie van eigenschappen van de ID/DS; voorwielaandrijving, zelfdragend platformchassis, losse carrosseriedelen, hydraulisch systeem, kapitaalkrachtige doelgroep, en de grote oplage en lange productieperiode van het model.
Op basis van motor en uitrusting onderkennen we verschillende types: DS19, DS20, DS21, DS23, ID19, ID20, DSpécial, DSuper, DSuper5. Motorisch kregen de DS en ID vanaf 1965 een vijfmaal gelagerde krukas, waarbij ook de cilinderinhoud toenam evenals het vermogen; 1985 cc, 2175 cc. De laatste uitvoeringen hadden maximaal 2347 cc en een vermogen van 141 pk. Qua versnellingsbak begon de DS19 in 1955 met een hydraulisch bediende halfautomatische versnellingsbak, in 1956 kreeg de ID een mechanische versnellingsbak, die vanaf 1963 ook op de DS geleverd werd. Van 1972 t/m 1974 was de DS ook leverbaar met een volautomatische Borg-Warner versnellingsbak.
De DS bereikte bij de verkiezing van de "auto van de eeuw" in 1999 de derde plaats en werd door een panel van vooraanstaande auto-ontwerpers, aangezocht door het Britse magazine "Classic & Sports Car", uitgeroepen tot "mooiste auto aller tijden Sluit | Uitvoering (1) | Berline | | Bouwjaar | 1958 | | Ontwerper(s) | Verantwoordelijk ingenieur: André Lefèbvre
Carrosserie: Flaminio Bertoni
Hydraulique: Paul Magès
Motor: Maurice Sainturat / Walter Becchia | | Producent(en) | S.A. Citroen | | Gebruiker(s) | Niet bekend voor 1991 | Periode gebruik | van 1958 tot en met nu | | Regio gebruik | Tot 1991 Frankrijk, daarna Nederland | | Opmerkingen inleiding | Kenteken AL-28-57.
Door huidige eigenaar in 1994 van particulier aangekocht. | | BESCHRIJVING | | Functie | Personenvervoer | | Techniek | - De eerste ID/DS had een 4 cilinder lijnmotor met driemaal gelagerde krukas, half bolvormige verbrandingskamers. Cilinderinhoud 1911 cc, 75 pk (SAE). Vanaf 1965 kregen de DS en ID een vijfmaal gelagerde krukas, waarbij ook de cilinderinhoud toenam evenals het vermogen; 1985 cc, 2175 cc. De laatste uitvoeringen hadden maximaal 2347 cc en een vermogen van 141 pk.
- Qua versnellingsbak begon de DS19 in 1955 met een hydraulisch bediende halfautomatische vier-versnellingsbak en koppeling. In 1956 kreeg de ID een mechanische versnellingsbak en koppeling, die vanaf 1963 ook op de DS geleverd werd. Van 1972 t/m 1974 was de DS ook leverbaar met een volautomatische Borg-Warner versnellingsbak.
- Hydraulische stuurbekrachtiging en vering met hoogteregeling. De goedkopere ID modellen hadden geen stuurbekrachtiging.
Tijdens 20-jarige productiehistorie zijn veel kenmerken gewijzigd. | | Bouwwijze | Stalen coque met longerons (ruimteframe op platformchassis) met aangeschroefde plaatwerkdelen.
- Lengte 4800 mm, breedte 1790 mm, hoogte 1470 mm, wielbasis 3125 mm, spoorbreedte voor 1500 mm, spoorbreedte achter 1300 mm, gewicht rijklaar 1180 kg.
| | Vorm | Sedan (berline), aerodynamische vorm, 4 portieren, voor- en achterklep | | Opmerkingen beschrijving | Accessoire verstralers | | GESCHIEDENIS | | Geschiedenis | De DS werd op 6 oktober 1955 gepresenteerd op de autosalon van Parijs en sloeg in als een bom ("La Bombe Citroën"). De auto had verschillende eigenschappen en toegepaste technieken die tot dan toe nog niet in één auto waren gecombineerd. Op de eerste dag werden 12.000 orders voor de nieuwe auto geplaatst en aan het eind van de week was dit zelfs opgelopen tot 80.000, een aantal dat de fabriek voor grote productieproblemen plaatste. (Een prestatie die pas in 2016 overtroffen werd door de Tesla Model 3.) Pas in de loop van 1956 kon men feitelijk beginnen met afleveren. In de tussentijd waren al heel wat bestellingen geannuleerd. Eind 1956 kwam een eenvoudiger versie op de markt: de ID19.
De ID/DS werd door Citroën in verschillende model uitvoeringen geleverd: berline (sedan), break (stationwagen), ambulance (ziekentransport), en décapotable (cabriolet).
De ID/DS berline was succesvol in zware internationale rally's, maar had een lange wielbasis en een relatief zwakke motor, en werd daarom door diverse carrosseriebouwers succesvol ingekort en vaak motorisch opgevoerd.
Aanpassingen aan de carrosserie waren relatief eenvoudig mogelijk door een unieke combinatie van eigenschappen van de ID/DS; voorwielaandrijving, zelfdragend platformchassis, losse carrosseriedelen, hydraulisch systeem, kapitaalkrachtige doelgroep, en de grote oplage en lange productieperiode van het model.
Op basis van motor en uitrusting onderkennen we verschillende types: DS19, DS20, DS21, DS23, ID19, ID20, DSpécial, DSuper, DSuper5.
De DS bereikte bij de verkiezing van de "auto van de eeuw" in 1999 de derde plaats en werd door een panel van vooraanstaande auto-ontwerpers, aangezocht door het Britse magazine "Classic & Sports Car", uitgeroepen tot "mooiste auto aller tijden" | | Opmerkingen geschiedenis | De techniek van de DS is ontwikkeld onder leiding van André Lefèbvre, een man die alles adoreerde wat modern en vernieuwend was en die deel uitmaakte van een groep oorspronkelijke denkers die Pierre Boulanger als toenmalig algemeen directeur van Citroën al tijdens de Tweede Wereldoorlog bijeen had gebracht: 'l'usine des cervaux'; de 'hersenfabriek'. Of betrokkenen een geijkte scholing of ervaring hadden deed niet ter zake, het werd zelfs eerder als een nadeel beschouwd.
Dit leverde een groepje echte uitvinders op, die helemaal de vrije hand kregen en daarmee oplossingen bereikten die door conventionele technici nooit zouden zijn bedacht.
Het hydraulisch systeem met de hydropneumatische vering, die een combinatie van eigenschappen had die voordien technisch voor onmogelijk werd gehouden, werd geheel ontworpen door de zeer bescheiden geschoolde maar briljante Paul Magès.
Motorisch is oorspronkelijk een 6-cilinder boxermotor voorzien, lucht-, of watergekoeld. Vanwege productieproblemen en kosten werd op een jaar voor lancering echter teruggegrepen op de bekende 4-cilinder lijnmotor van de Traction Avant.
Het voor die tijd zeer spectaculaire koetsontwerp was van de toenmalige chef-ontwerper van Citroën, de eveneens als beeldhouwer en architect gelauwerde Italiaan Flaminio Bertoni, die ook de Traction Avant, de Deux-Chevaux, en de Ami modelleerde. In grote lijnen zijn er qua vormgeving van de koets drie periodes te onderscheiden, nl 1955 - 1963 de zogenaamde 'eerste neus' met koelopeningen in de voorbumper en een koelrooster onder de bumper. Van 1963 - 1967 de 'tweede neus'. Hierbij is de voorbumper meer gesloten en werd de koeling van de motor geforceerd uitgevoerd waarbij lucht via twee openingen onder de bumper werd aangezogen. Van 1967 - 1975 de 'derde neus'. Hierbij werd de neus van de DS gerestyled waarbij de koplampen achter ruitjes in de voorschermen werden ingebouwd. Hierdoor ontstond een nog meer aerodynamische lijn. De achterzijde is over alle productiejaren vrijwel ongewijzigd gebleven.
| | KORTE VERHALENDE OBJECTBESCHRIJVING | | - Na productie van de auto in het voorjaar 1958 in de Citroen fabriek aan de Quai de Javel (Parijs) werd deze verkocht aan een particulier in de omgeving van Beauvais. Na overlijden van de eigenaar is de auto via Parijs naar Nederland gekomen.
- Nu in particulier bezit in de regio Den Haag.
| | ILLUSTRATIES | | Additioneel beeld 1 | Niet ingevoerd | | Additioneel beeld 2 | Niet ingevoerd | | MEER INFORMATIE | | Informatie bij/via | Citroen ID/DS Club Nederland | | Bronnen | *Wouter Jansen & Fred Jansz (red), CitroSpecial 60 jaar Citroën DS, extra uitgave van CitroExpert, magazine voor de Citroënliefhebber, nr 1, Zeist, 2015.
*Jan de Lange & John Reynolds, De originele Citroën DS; de complete gids voor alle DS en ID modellen 1955-1975: de Berlines, Breaks en Cabriolets, Rijswijk, Uitgeverij Elmar, 1996, ISBN 9789038904276 (ook versies in Engels en Duits). In 2005 herdrukt voor de Citroën ID/DS club Nederland en daar verkrijgbaar voor clubleden. Het meest complete en accurate NL-talige naslagwerk over de ID/DS.
*Olivier de Serres, Citroën DS au panthéon de l'automobile, Arcueil, Éditions Anthese, 2005, ISBN 978-2912257253
*Olivier de Serres, Citroën DS coupé - cabriolet - découvrable, Antony, E-T-A-I, 2014, ISBN 978-2726897669
*Dominique Pagneux, Henri Chapron, Carrosserie française, Boulogne-Billancourt, E-T-A-I, 2002, ISBN 978-2726886021
*Jacques Borgé & Nicolas Viasnoff, L'Album de la DS, Éditions Pratiques Automobiles 1992, ISBN 978-2851201751
*Fabien Sabatès, La DS, objet de culte, Paris, Editions Ch. Massin, ISBN 978-2707201584
*Jan de Lange, De snoek, Citroën ID/DS in Nederland, Rijswijk, uitgeverij Elmar, MXMII (1992), ISBN 978-9038900155
*Michel Coenen, Back to the Future!; catalogus van de tentoonstelling speciale ID/DS modellen, ter gelegenheid van het Jubileumevenement 25 jaar Citroën ID/DS club Nederland 28 & 29 augustus 2004, Archeon, Alphen aan den Rijn, 2004, eigen uitgave (uitverkocht).
*Hans Otto Meyer-Spelbrink, Citroën DS, das ungewöhnlichste Serienautomobil aller Zeiten, Brilon, Podszun Verlag-Motorbücher, 2003, ISBN 978-3861333210
| | Externe links | www.citroeniddsclub.nl | | Opmerkingen informatie | Omvangrijke en vrijwel complete hoeveelheid oorspronkelijke en recente documentatie aanwezig in het archief van de Citroën ID/DS club Nederland | | HUIDIGE EIGENDOM | | Soort eigendom | Particulier | | WAARDESTELLING | | | Van dit object is nog geen culturele waarde gepubliceerd. |
|
|